horoscopen
Marsilio Ficino - de wereld als kunstwerk
Domenico Ghirlandaio.

Zachariah in the Temple: Marsilio Ficino, (uiterst links)
Cristoforo Landino, Angelo Poliziano and Demetrios Chalkondyles (detail).

1486-1490. Fresco. Santa Maria Novella, Tornabuoni Cappella, Florence, Italy.
Web site ©  2005 Inspiratie / Jan de Graaf. Alle rechten voorbehouden
Niets van dit document mag worden verveelvoudigd, overgenomen of overgeseind zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Jan de Graaf

Web site © 2005  Inspiratie / Jan de Graaf. All rights reserved.
No part of this document may be reproduced, copied or transmitted in any form without the prior written permission from Jan de Graaf.
Een Schorpioen ...
met Maan in het
Saturnale teken
Steenbok
maakt niet direct
vrolijk -
en alle persoonlijke
planeten inclusief Ascendant en
Midhemel staan in ingetogen tekens.
Zon in Schorpioen worstelt traditioneel dikwijls met zichzelf; maar die Jupiter in de vurige Leeuw - (zie zijn opmerkingen over Jovialiteit!) inconjunct Maan kunnen best die plotselinge opgeruimde en overmoedige buien opleveren.

Saturnus in het luchtteken Waterman in 8 staat in een inferieur teken ten opzichte van zijn water-Zon (waarmee Saturnus een wijd vierkant maakt) - zijn fascinatie èn zijn worsteling met het Saturnale zijn daardoor eerder te verklaren
dan vanuit het aspect met de Ascendant (of Saturnus in 1) - plus het feit dat iedereen in die tijd vond dat je melancholicus moest zijn wilde je iets voorstellen - Michelangelo ging er ook prat op.
22
Marsilio Ficino werd geboren op 19 oktober 1433 in Figline (tegenwoordig Figline Valdarno geheten) om 9 's-avonds "toen Saturnus in de Ascendant stond en daardoor een sombere horoscoop opleverde voor deze eerstgeboren zoon van de stadsarts en zijn helderziende echtgenote".

Op de genoemde tijd is de Ascendant 14° Kreeft  met Saturnus op 12° Waterman in 8 - Saturnus maakt op die tijd een inconjunctie met de Ascendant. KAREN HAMAKER heeft een horoscoop in haar bestand met een geboortetijd van 13:14; bron Ficino zelf in een brief - dan komt Saturnus wèl in het eerste huis.
Verderop vind je de horoscoop met Saturnus rijzend.
In de marge zijn de transits voor 3-12-1489 (voor 12 uur 's-middags) aangegeven - de publicatiedatum van de Liber de Vita. »

FICINO EN MELANCHOLIE  
- zwarte gal -
Dit nam in de 17e en 18e eeuw bijvoorbeeld epidemische vormen aan onder de Engelse adel en werd daarom  wel de Engelse Ziekte genoemd.

De standaard kuur was: op reis (Jupiter) naar Italië (Zon) om daar de antieke cultuur te bestuderen en rond te dwalen tussen de ruïnes (een homeopathische dosis Saturnus!).

Vraagpunt is altijd of je bij de duiding de toen nog niet ontdekte buitenplaneten mag gebruiken - Pluto (hier) op de Ascendant - een doordrijver - en oppositie Maan: fascinatie voor magie; Neptunus conjunct Jupiter - versterkt het visionaire en verbeeldingrijke; Uranus oppositie Zon - wat is een mooiere typering voor een nieuwlichter? - eigengereide dwarsligger mag ook.
_________________________________________________________________________________________________________________________________
e s s e n c e   college   -   astrologie met Jan de Graaf
deze raket gaat naar het gevorderden plein
Liber de Vita
» Bij de publicatie van LIBER vallen vooral de transit van Saturnus en Uranus over de Maan op. Als je in je leven nog geen kennis had gemaakt met melancholie of als je die energie altijd hebt vermeden zal Saturnus over je Maan je wel een tijdje melancholisch maken.
Tegelijkertijd is er die rebelse en dwarse invloed van Uranus die extra energie levert om zijn eigen visie te verkondigen. Dat hij in deze periode bang was (Saturnus - Maan) en zich indekte staat hier duidelijk aan de hemel geschreven.

De renaissance en de URANUS - NEPTUNUS conjunctie
Curieus is verder zijn radix Mercurius op 28° Schorpioen.
Van 1476 - 1480 vond rond 29° Schorpioen de Uranus - Neptunus conjunctie plaats, de grote conjunctie met een cyclus van plm 170 jaar die we in verband brengen met keerpunten in de wereldgeschiedenis.

Deze grote conjunctie hoort thuis in het rijtje 1480 (Renaissance - de wedergeboorte van de antieke polytheïstische cultuur); 1650 (opkomst grote natiestaten, einde 80-jarige en 30 jarige oorlog); 1820 (de kaart van Europa opnieuw ingetekend na het Congres van Wenen; geboorte Karl Marx en Charles Darwin die onze huidige denkbeelden nog steeds bepalen); 1993 (Europa één; wéér wordt de kaart van Europa opnieuw ingetekend; opkomst van de toverformules 'International Community' en 'Peace Process' (Arafat sliste volgens mij bewust als hij het zei).

Ficino's radix Mercurius - schrijversschap, boeken, ideeën communiceren - is onverbrekelijk verbonden met de grote conjunctie die de Renaissance begeleidde. Bij een tijd van 13:14 staat deze Mercurius trouwens op zijn MC.
Archetypische astrologie en psychologie
Een belangrijke reden om deze tekst onder je aandacht te brengen is de uitstekende beschrijving van de ideeën waarop de opleiding is gebaseerd en vooral ook vanwege het inzicht in de ontstaansgeschiedenis van deze ideeën.

Ficino is een geestverwant. Zijn conflict is het onze.
Binnen de astrologische wereld is er van tijd tot tijd discussie gaande over de grondslagen van de astrologie en wordt onvrede geuit over de verbinding van astrologie met psychologie.
Volgens sommigen was de 'oude' astrologie niet psychologisch en beter en nauwkeuriger dan de onze; we zouden veel oude kennis zijn kwijtgeraakt. Een projectie op het verleden, toen alles beter was.

Dus wordt gezocht naar een revival van oude duidingsregels en technieken om tot exacte en objectieve uitspraken te komen, niet alleen over iemands karakter - dat dan bijna onwrikbaar vast zou liggen - maar ook over wat hij of zij meemaakt in het leven. Van proces, groeien, psyche, beleving, verbeelding, relatie, keuze en eigen verantwoordelijkheid is dan geen sprake meer.
Met exacte voorspellingen kun je steenrijk worden. Ooit een rijke astroloog ontmoet?
MARCILIO FICINO
is één van de belangrijkste filosofen uit de Renaissance.
Marsilio Ficino, filosoof en astroloog
Florence 19 oktober 1433 - 1.10. 1499 Careggi
een baanbrekend werk uit de Renaissance
over astrologie, gezondheid en magie
Inleiding door Charles Boer

Illustratief voor de uitzonderlijk betreurenswaardige stand van zaken bij de studie van de Renaissance in de Engelssprekende wereld is het feit dat zoveel boeken van Marsilio Ficino nog steeds niet zijn vertaald. Zijn Commentaar op Plato's symposium over de liefde, zijn Commentaar op Philebus en een paar brieven is alles wat er is, naast een paar vertalingen van korte stukjes in algemene werken over Plato in de Renaissance. Waarom is Ficino, de belangrijkste schrijver tijdens de Florentijnse wedergeboorte, zo veronachtzaamd? Waarom besteden onze universiteiten zoveel aandacht aan Pico della Mirandola's opgeklopte 'Oratie op de Waardigheid van de Mens' - die inmiddels in diverse vertalingen beschikbaar is - en negeren ze Pico's leraar, de hogepriester van de Florentijnse Academie, de meest avontuurlijke filosoof van de hele Italiaanse Renaissance?

Het genie van Ficino, al tijdens zijn leven toegejuicht als de inspirerende kracht achter een aantal van de grootste dichters en schilders, filosofen en staatslieden, heeft bijna vijfhonderd jaar ongelezen liggen slapen in de bibliotheken van de westerse wereld. Het is ongetwijfeld tijd om deze slaap te verstoren, niet alleen vanwege de historische feiten, om onze kennis van de cultuur van de Renaissance, of om het eerbetoon dat wij duidelijk verschuldigd zijn aan deze vruchtbare geest die aan de wieg stond van de westerse verbeelding, maar zelfs, zoals de lezers van dit boek naar ik hoop zullen bemerken, om onze eigen psychologische afkomst te leren kennen en het ontstaan van wat wij nu nog steeds 'onze geest' en 'onze ziel' noemen.

Marsilio Ficino werd geboren in Figline (Valdarno) bij Florence op 19 oktober 1433 om 9 uur 's-avonds, toen Saturnus, zoals Ficino ons herhaaldelijk mededeelt, in de Ascendant stond en daardoor een sombere horoscoop opleverde voor deze eerstgeboren zoon van de stadsarts en zijn helderziende echtgenote.
In werkelijkheid was de horizon helemaal niet zo somber, boven Florence verzamelden zich al spoedig vreemde sterren met maar weinig minder invloed dan Saturnus in de persoon van een tachtigjarige Griekse geleerde, Germisthos Pletho geheten, en zijn Byzantijnse keizer Johannes Palaeologos. Ze kwamen in 1439 naar een Concilie waarbij voor het eerst in duizend jaar een akkoord gesloten zou worden tussen de Griekse en de Latijnse Christelijke kerken. Germisthos Pletho was om filosofische redenen sterk tegen dit akkoord gekant (de Griekse traditie aanvaardde de Heilige Geest niet als een gelijkwaardig lid van de Drie-eenheid, en Pletho zelf haatte de Latijnse kerk), maar aangezien de keizer steun nodig had van het westen in zijn verloren strijd tegen de Turken, kreeg Mars voorrang boven de Heilige Geest, en in elk geval boven Pletho. In de bittere debatten die aan het akkoord vooraf gingen bracht Pletho zijn gehoor van geleerden en hoogwaardigheidsbekleders van de kerk in vervoering met zijn verbijsterende eruditie, maar stemde ze tegelijkertijd vijandig met zijn al te benijdenswaardige vertoon van kennis uit de eerste hand van Plato en de neoplatonisten.
De geleerden van de Latijnse kerk hadden alleen een wat oppervlakkige kennismaking gehad met Plato, want Aristoteles was al heel lang hun favoriete, en enige, Griekse filosoof. Wat ze over Plato hadden gehoord kwam uit verdraaide Aristotelische bronnen en beviel ze niet. Ze beschouwden Plato, en neoplatonisten als Plotinus en Porphyry min of meer als anti christelijk. Sommige neoplatonisten hadden immers gezegd dat wat goddelijk was in Christus ook aanwezig was in andere wonderdoeners zoals Apollonius van Tyana. Enkele aanwezigen bromden zelfs dat Pletho zelf wel eens een neoplatonische incarnatie van de duivel zou kunnen zijn. Maar, deze duivel kon Aristoteles ook aanhalen, want Pletho had in het Griekse origineel veel meer van hem gelezen dan de Italianen met hun incorrecte middeleeuwse vertalingen.

Gelukkig waren niet alle Florentijnen die daar aanwezig waren ontstemd door Pletho. Integendeel, de machtigste man in de zaal, hoewel noch geestelijke noch geleerde, was enorm geïnteresseerd in wat hij over de oude filosofen te weten kwam. De bankier Cosimo de Medici wiens rijkdom de Florentijnse politiek en de Italiaanse cultuur beheerste nodigde de grote Byzantijnse geleerde uit voor het diner. Het werd Cosimo al snel duidelijk dat Florence een school moest beginnen voor het bestuderen van het Griekse gedachtegoed, en wel in het bijzonder de opwindende nieuwe Platonische filosofie. Hij had genoeg van de oude Pennenlikkers en hun Aristoteles die overal een antwoord op hadden.
Cosimo zag dat Plato een cruciale vangst betekende, een waardevolle opening naar de antieke wereld die zich nu op haar beurt opende voor de moderne tijd. Plato was een grote, nog onontdekte stem uit de oudheid die zich met kracht liet horen na eeuwen verchristelijkte Aristotelische muggenzifterij. Cosimo, een van de weinige mensen die door rijkdom liberaal geworden was, besprak kennelijk met Pletho het idee om in Florence een Académia (naar de naam van Plato's eigen school) te stichten om al deze fascinerende nieuwe gedachten die uit Griekenland kwamen te propageren. Maar toen Pletho na het Concilie vertrok bleef het bij een plan.

Byzantium viel voor de Turken in 1453 en Cosimo's idee voor een Platonische Academie kwam pas weer tot leven in 1457 toen een andere grote Griekse geleerde, Johannes Argiropolos naar Florence emigreerde om daar colleges over Aristoteles te geven, en, op verzoek, over Plato. Maar, waar was iemand te vinden die Cosimos's Academie op zich kon nemen? Argiropolos was daar zeker niet geschikt voor want zijn officiële titel was 'Publieke Explicator van Aristoteles'.
Marcilio Ficino was een ziekelijke jongen die leed aan derdedaagse koorts en, zoals hij later in een brief gericht aan al zijn vrienden die maar bleven vragen naar zijn gezondheid zou schrijven: "Hou op met vragen - ik heb nog nooit een hele dag gehad waarop mijn lichaam sterk was - ik ben van nature vanaf mijn geboorte zwak!" Zoals iedereen natuurlijk weet is dit voor de kinderen van artsen niet ongebruikelijk, en helemaal niet voor de kinderen van ambitieuze artsen. Dokter Ficino had Cosimo behandeld en stond op bijzonder goede voet met Cosimos's zoon Giovanni, aan wie hij eens een paar flessen wijn uit Trebbiano stuurde - het standaard geneesmiddel van Ficino voor zowat alles - zoals Marsilio zelf ook zou ontdekken.

Met een succesvolle arts als vader zou Marsilio hebben kunnen zwichten voor de wens van zijn vader dat ook hij arts zou worden als hij niet zo'n opmerkelijk rare moeder had gehad. Die presteerde het om voor allerlei mensen heel precies rampen te voorspellen - de dood van haar eigen moeder, de verstikking door een verzorgster van haar zeventien dagen oude kind en de val van zijn paard van haar eigen man, waarbij ze zelfs de juiste plek aangaf. (Marsilio's verklaring voor dit alles was dat sommige mensen hun lichaam kunnen verlaten en dingen kunnen zien omdat hun zielen zo puur zijn). Arnaldo della Torre, de uitstekende biograaf van Ficino, schreef Marsilio's neurasthenische temperament, zijn mystiek en zijn extases toe aan deze met grote devotie omringde 'gran signora', die leefde tot in de tachtig en pas een jaar of wat voor Marsilio stierf. Dat is een buitensporig grafschrift, zelfs voor een 'Italiaanse Mamma', maar hoe ze het ook voor elkaar kregen, de Ficino's slaagden er in om het laatste wat een ouder in een zoon wil voort te brengen: een filosoof.


Marsilio zal wel het eerst van Plato gehoord hebben van zijn leraar Latijn, Luca d'Antonio de Bernardi, tijdens het lezen van Cicero. Van hem leerde hij ook muziek en het bespelen van de lier, waarop hij zeer gesteld was. De beginselen van het Grieks leerde hij van Francesco di Castiglione. Zijn vroege educatie was echter, net als die van ieder ander, gebaseerd op Aristoteles. Hij studeerde bij Nicolò Tignosi da Foligno, een orthodoxe Peripathetische filosoof met een grote aversie tegen de praktijk van Argiropolos en anderen om Platonisme met Aristotelisme te mengen. Ficino's eerste echte voorproefje van Plato kwam bij het volgen van de colleges die aan de universiteit van Florence werden gegeven door Cristoforo Landino, een vriend van zijn vader (en ook van Cosimo de Medici).

In 1451 (hij was toen 18) werd Ficino met hulp van zijn vader aangesteld als kapelaan of seminarist (wat kon je anders doen met een kind dat filosoof wilde worden), hoewel de jongen hongerde naar platonisme en neoplatonisme. Hij begon filosofische essays te schrijven waarvan hij er enige, in 1456, opdroeg en ook liet zien aan Landino die hem aanmoedigde om zijn Grieks te perfectioneren en zijn studie van Plato voort te zetten. Maar plotseling, toen hij 24 was, en net toen Johannes Argiropolos in Florence zijn colleges over Plato begon te geven, onderging Ficino een geloofscrisis.
Het kan best zijn dat al deze heidense studies het simpele geloof uit zijn jeugdjaren hadden ondermijnd, maar nog belangrijker was, dat hem als kapelaan door de Aartsbisschop van Florence plotseling het bijwonen van de colleges van Argiropolos werd verboden. In plaats daarvan werd hij naar huis gestuurd, naar Figline. Het lijkt wel zeker dat hij heel erg graag bij Argiropolos had willen studeren en dat hij het slachtoffer was van de algemeen bekende afkeer van de Aartsbisschop niet alleen van het humanisme maar van alles wat met de oudheid te maken had. Hij beschuldigde Ficino van afvalligheid en beval hem in plaats daarvan Thomas van Aquino te bestuderen. Toen hij echter in Figline was teruggekeerd schreef Ficino in de winter van 1457 enigszins uitdagend een traktaat over genot en een commentaar op de Romeinse dichter Lucretius, een teken van zijn ontluikend Epicurisme. In de zomer van 1458 stuurde zijn vader hem vervolgens naar de door Aristoteles gedomineerde medische faculteit van de universiteit van Bologna waar hij, zich ongetwijfeld ongelukkig voelend, verbleef tot 1459. Hij had in Florence medicijnen kunnen studeren en in de praktijk van zijn vader kunnen werken, maar de Aartsbisschop had zijn vader opgedragen om hem ver van Florence te houden.

Hij moet zich ellendig gevoeld hebben, en toch, zoals hij later zou schrijven, biedt Saturnus, de god van de melancholie zijn filosofische kinderen compensatie voor het ongemak dat hij veroorzaakt. In 1459 werd Marsilio plotseling door zijn vader teruggeroepen en zonder veel omhaal in het luisterrijke gezelschap van de grote Cosimo zelf geplaatst. Hij had Cosimo eerder ontmoet, in 1452 toen hij 19 was, waarschijnlijk na Giovanni de Medici gevraagd te hebben om een formele introductie te verzorgen (er is een brief van Giovanni, een ex-patient van dokter Ficino, gericht aan Marsilio waarin deze hem herinnert aan de vriendschap uit hun jeugd). Maar bij die eerste ontmoeting maakte Ficino ongeveer net zoveel indruk op Cosimo als al die stralende legioenen van zonen en dochters die destijds jaarlijks door hun ouders aan Nelson Rockefeller werden voorgesteld, en om dezelfde reden.
Deze keer echter was het Cosimo zelf die hem bij zich liet komen. Hoewel er weinig bewijs voor is schijnt het dat Landino, misschien door alles wat er met deze jongen was gebeurd, medelijden had gekregen en Marsilio's essays onder de aandacht had gebracht van deze grote man (een andere theorie, nog charmanter maar minder geloofwaardig is, dat dokter Ficino dat zelf heeft gedaan) en Cosimo ervan kon overtuigen dat dit eindelijk de juiste man was voor de Academie. Desondanks wilde Dokter Ficino, de bezorgde vader, garanties van Cosimo dat zijn zoon levenslang onderhouden zou worden als hij dit werk ondernam en hij kreeg die ook. "U bent een dokter voor lichamen" schijnt Cosimo tegen hem gezegd te hebben, "maar hij is een dokter voor de ziel".

Marsilio werd aangezet om zijn Grieks te perfectioneren en Cosimo stelde voor om dat te doen bij Bartolomeo Platina (hij en Landino schijnen gedacht te hebben dat Argiropolos te Aristotelisch was om hun jonge investering aan toe te vertrouwen). Zijn eerste werken, onder begeleiding van Platina, waren vertalingen van de Orfische en Homerische Hymnen. Cosimo kocht manuscripten van Plato in het Grieks en gaf ze aan Ficino om te vertalen, samen met een villa in de heuvels bij Careggi, het nieuwe thuis van de Florentijnse Academie. Ficino decoreerde het huis met astrologische symbolen (hij vond dat zulke beelden van de goden elke dag bestudeerd moesten worden), met een fresco van de Griekse filosofen Heraclitus en Democritus, de eerste huilend, de ander lachend en met een buste van Plato waarvoor hij een kaars neerzette die hij nooit uit liet gaan. Hij liet langs de vier muren van zijn studeerkamer een inscriptie in het Latijn aanbrengen: "Alle dingen worden door het Goede tot het Goede geleid, Wees gelukkig in het Heden, Hecht geen waarde aan Reputatie, Zoek geen Prestige, Schuw de Overmaat, Schuw Problemen, Wees gelukkig in het Heden".
Toen Cosimo in 1464 stierf had Ficino van veel teksten van Plato een vertaling gemaakt, die hij op bevel van zijn patroon moest voorlezen op zijn sterfbed. Hij was ook gereed gekomen met de vertaling van de geschriften van Hermes Trismegistos, waarvan hem gevraagd was nog vóór die van Plato een vertaling te leveren. Men dacht dat deze mystieke neoplatonische teksten, waarvan men nu weet dat ze uit de eerste eeuw na Christus stammen, Plato tot voorbeeld hadden gediend. Ze werden beschouwd als een soort 'oude theologie' die aan het Christendom voorafging en er in veel opzichten de basis voor legden.

Na de dood van Cosimo werkte Ficino voor Cosimo's zoon Piero en trad tevens op als leraar voor zijn kleinzonen Lorenzo en Giuliano. De kleine villa in Careggio werd een ontmoetingsplaats voor filosofen en kunstenaars maar ook voor de bankiers en staatslieden van het imperium  van de Medici's. Ficino produceerde in deze jaren zijn beroemdste werk, 'De Platonische Theologie', een commentaar op Plato dat alle neoplatonische kennis die toen beschikbaar was omvat maar ook een behoorlijke hoeveelheid van zijn eigen verbeeldingrijke benadering. Maar, hij werd al snel bevangen door angst en onzekerheid en vanaf 1467 tot 1469 was Ficino de wanhoop nabij. Hij was zo in de ban en zo opgetogen over deze nieuwe Platonische manier om de verbeelding te gebruiken dat hij, net als Pletho voor hem, de neiging voelde om een heidense religie nieuw leven in te blazen.

Maar hoever kon hij met dergelijke ideeën gaan voor de kerkelijke autoriteiten hem gevangen zouden zetten? De 'Platonische Theologie' was, voor een deel, een poging om een neoplatonische religie te vormen, anderzijds was het voor deze gekwelde man eenvoudigweg ook een manier om de complexe eisen van zijn eigen ziel te begrijpen en de consequenties te overzien die het denken over de oude goden en de wereld om hem heen opriepen. En, ergens tussen de conventionele christelijke religie van zijn tijd en de studie van de oudheid ging Ficino een innerlijke grens over - zeker, hij ging binnen in een gebied dat Jung psychologie genoemd zou hebben. Na veel kopzorg over waar hem dit zou leiden (hij zong Orfische hymnen onder begeleiding van zijn lier en voerde elk heidens ritueel uit dat hij kon bedenken) loste Ficino de crisis op een opmerkelijke manier op. Hij besloot om de weg van Augustinus te volgen die ook Platonist was geweest voor hij zich tot het christendom bekeerde. Ficino 'bekeerde' zich nu opnieuw tot het christendom, maar met een nieuwe kijk erop. Hij verklaart dit in zijn boek 'Over de christelijke Religie' waarin hij stelt dat er twee manieren zijn om naar religie te kijken, de gewone (waarmee hij problemen had) en een 'rationele', gebaseerd op de inzichten van Plato. Hij stond zichzelf niet toe een regelrechte heidense religie uit te oefenen en dus paste hij de christelijke religie aan bij zijn eigen doeleinden. Hij begon formele religieuze studies en werd tot Dominicaans priester gewijd in 1473.

Hij bleef echter op Carregi leven en werken. In 1474 liet Lorenzo de Medici, die na de dood van Piero zijn patroon van de Medici familie was geworden, hem benoemen tot rector van de kerk van San Cristofano te Novoli, waar hij geen taken te vervullen had. En nu, met nog grotere ijver dan daarvoor, werkte hij om de 'prisca theologia' of oude theologie tot leven te brengen en te interpreteren, overtuigd als hij was dat deze ontstaan was in Perzië bij Zoroaster en in Egypte bij Hermes Trismegistos, opnieuw ontdekt door Orpheus in Thracië en vervolgens door Pythagoras in Griekenland en Italië, en geperfectioneerd door Plato. Als het christendom er het eindresultaat van was - en als dat alles was wat er was - was hij bereid om vandaar uit verder te kijken.

Toen Pico della Mirandola in 1484 in Florence aankwam, op de dag en zelfs op het uur af dat de Plato editie van Ficino werd gepubliceerd, stelde hij meteen voor dat Ficino Plotinus zou vertalen. Cosimo had gehoopt dat Ficino deze auteur na Plato ter hand zou nemen en de suggestie van Pico kwam op hem over als de stem van Cosimo, sprekend vanuit zijn graf. Het derde deel van wat hij zijn 'Liber de Vita' zou noemen begon met een commentaar op een gedeelte van de 'Enneaden' van Plotinus, getiteld 'De Favore Coelitus Hauriendo'. Ficino was met dit commentaar gereed op 10 juli 1489 en noemde het 'De Vita Coelitus Comparanda'. Op 7 augustus 1489 las hij een tractaat van de hand van Arnaldo della Villanova over hoe men het proces van ouder worden kon vertragen. Het boek was slecht geschreven zegt Ficino de volgende dag in een brief aan Pico en moeilijk te begrijpen. Hij besloot een eigen boek over dit onderwerp te schrijven, dat hij op 29 augustus 1489 af had. Hij schijnt elke dag een hoofdstuk geschreven te hebben, een 'hoofdstuk' betekende eenvoudigweg het totaal van wat hij die dag geschreven had. Bij het schrijven van dit boek, zegt hij in een andere brief aan Pico, dacht hij niet zozeer aan het vertragen van de eerste tekenen van ouderdom bij zichzelf, als wel hoe vast te houden aan wat hij nog over had! Hij noemde dit boek 'De Vita Producenda'.

Daarna besloot hij om de beide boeken te combineren, tezamen met een stuk dat hij in 1480 geschreven had, getiteld 'De Cura Valetudinis Eorum Qui Incumbunt Studio Litterarum' (Over het zorgen voor de gezondheid van hen die zich bezig houden met de studie der letteren). Dit boek was oorspronkelijk geschreven als een poging om geleerden te adviseren aangaande de pestepidemie die Florence destijds teisterde. Hij reviseerde veel van de eerdere tekst en noemde de nieuwe versie 'De Studiosorum Sanitate Tuenda'. Hij noemde de drie boeken samen zijn 'Liber de Vita', hoewel hij er ook naar verwijst met andere namen, waaronder  'De Vita Triplici' of eenvoudigweg 'De Vita'.

Het derde boek bleek het controversieelst te zijn. Zelfs tijdens het schrijven ervan schijnt Ficino zich de meningsverschillen gerealiseerd te hebben die zouden ontstaan vanuit zijn beschrijving van beelden, de kracht van de planeten over de menselijke wil en de geldigheid van oude magie en astrologie. De lezer zal gemakkelijk zijn ergernis kunnen ontdekken, de uitvoerige manieren waarop hij zichzelf buiten schot tracht te houden, zijn tegenzin om toe te geven dat hij niets anders doet dan beschrijven wat anderen hebben gezegd. Zelden worden we er zo treffend aan herinnerd wat een evangelische politiestaat de Renaissance kon zijn.

We moeten ons daarbij ook bedenken, dat Pico della Mirandola slechts twee jaar daarvoor brutaalweg naar Rome was afgereisd om driehonderd (voor het grootste deel dwaze) stellingen te verkondigen waarbij hij iedereen uitdaagde om ze te weerleggen. Ficino had hem daarin aangemoedigd, maar het schijnt nu eenmaal zo te zijn dat Ficino iedereen overal in aanmoedigde en als het er, zoals in dit geval, om ging partij te kiezen tussen een jonge onstuimige vriend en de bezadigde genadelozen in het Vaticaan, had hij er des te meer plezier in. Het gehoor van bisschoppen en professoren was niet onder de indruk en Paus Innocentius de VIIIe beschuldigde Pico van afvalligheid. Veel van deze stellingen bestonden eenvoudigweg uit ongenuanceerde ideeën van Ficino - behalve waar Pico zijn eigen recent verkregen kennis van het Hebreeuws aan de man trachtte te brengen en beweerde dat magische woorden alleen werkten in het Hebreeuws, de originele goddelijke taal. Deze hele episode liet in Rome een bittere nasmaak achter over die geprivilegieerde nieuwlichters in Careggi. Daarbij kwam nog dat de 'Heptaplus' het boek van Pico over een Kabbalistische interpretatie van de schepping, op 9 maart 1489 verscheen; slechts een paar maanden vóór de boeken die Ficino nu aan het schrijven was. De paus liet weten dat hij tegen dit boek van Pico eveneens bezwaren had. Pico distantieerde zich later zoals bekend van alle astrologie en magie en nadat hij onder de invloed van Savonarola gekomen was zei hij dat dit een jeugdzonde was geweest. Maar, in zijn brieven beweert Pico dat het Ficino zelf was die hem er toe aanzette om zich tegen astrologie te keren en om te beweren dat er niemand was die meer tegen astrologie was dan Ficino en dat op de momenten wanneer hij en Ficino op Careggi grappen maakten, zo die niet de priesters op de hak namen, toch vooral gingen over de goedgelovigheid van de astrologen. Bij dit alles schijnt Pico echter, zoals Lynn Thorndike als eerste opmerkte, niet begrepen te hebben hoe diep Ficino's engagement was ten opzichte van astrologie en magie. Hij was een hopeloze letterknecht (hij was een volgeling van Aristoteles toen hij Ficino voor het eerst ontmoette) en nam alles letterlijk wat leidde tot zijn hopeloze moeilijkheden in Rome, zijn ongeïnspireerde schrijverij tegen astrologie en zijn uiteindelijke kwetsbaarheid voor de zelfgenoegzame kwezelarijen van Savonarola. Hoewel Pico een noodzakelijk en gewaardeerd soldaat was tijdens de oorlog die Ficino op vele fronten voerde tegen de middeleeuwse geest (en Thorndike zou wel eens te hard over hem geoordeeld kunnen hebben omdat hij aan de verliezende hand was) is het geen wonder dat Ficino, met Pico achter zich, was voorbereid op een vijandige ontvangst van zijn 'Boek over het Leven'.

Een vijandige ontvangst is precies wat hij kreeg. Niet zodra was hij gereed met het boek of het werd door verschillende kerkelijke vijanden aangevallen als een werk van demonische magie en necromantie. Men rapporteerde Ficino bij de paus, dezelfde Innocentius de VIIIe waarmee Pico van doen had gehad. Op 15 september 1489 schrijft Ficino een brief naar drie vrienden, de 'drie Peters' Nero, Guicciardini en Soderini waarbij hij de strategie uiteenzet die ze moeten gebruiken om hem te verdedigen en waarin hij verklaart dat zijn magie niet demonisch is maar natuurlijk. In deze brief zien we duidelijk de geamuseerde houding die Ficino tijdens deze crisis aanneemt. De ontvangers van deze brief behoorden tot de machtigste families van Florence maar werden, naast andere hen toebedeelde taken, op een grappig bedoelde manier gevraagd om Ficino's beroemdere vrienden Landino, Poliziano en Pico op te trommelen. Als Ficino hen vraagt 'om die Hercules Poliziano op te porren' (die weinig op had met astrologie) moeten we bedenken dat deze dichter, een 'uomo delicato' zoals de Italianen plegen te zeggen, zo ver af stond van een Hercules te zijn als je maar kunt voorstellen. En als Ficino hen opdraagt om Pico, 'onze Phoebus' te smeken zijn pijlen af te schieten en het monster Pytho te doden 'die opnieuw oprijst uit het moeras', er aan toe voegend, dat wanneer Pico begint te schieten 'hij dit hele giftige stelletje met één schot zal doden' moeten we weten dat juist het omgekeerde het geval was: het monster had Pico na de Romeinse periode en opnieuw na de publicatie van zijn 'Heptaplus' behoorlijk te pakken gehad. En als het er op aankwam was Pico zonder meer een slecht schutter. Wat Landino, 'onze Amphion', betreft kun je je voorstellen hoe deze 65 jarige professor in Welsprekendheid en Poëzie zijn lier zou kunnen gebruiken als een stuk geschut.
Ficino had alle reden om bang te zijn gezien zijn positie met dit boek, maar hij verloor geen moment zijn humor of, anders dan Pico, zijn kijk op de situatie. Hij wist precies wat hij moest doen en wie hij moest opzoeken om als winnaar uit de strijd te komen, een gave die samenhangt met zijn verbeeldingskracht en die we kunnen toeschrijven aan de flexibiliteit van zijn polytheïstische opvattingen en zijn vaardigheid in het vermijden van de valkuil van letterlijke verklaringen.

De brief aan de 'drie Peters', zijn 'Apologie', werd afgedrukt aan het slot van de eerste editie, tezamen met een brief aan drie andere vrienden van de Academie, Canacci, Canigiani en Corsini, op wiens namen Ficino grapjes maakt door ze zijn 'canes' (jachthonden) en 'cursores' (jagers) te noemen - in het Italiaans is de grap treffender. Filippo Valori, die de uitgave van Ficino's Plato vertalingen had betaald, betaalde nu voor 'Het Boek over het Leven', dat werd gepubliceerd op 3 december 1489. Er werden exemplaren gestuurd naar bevriende bisschoppen en kardinalen in de hoop dat ze een goed woordje zouden doen bij de Paus. Ficino schreef aan Antonio Calderini op 27 mei 1490 met het verzoek om een exemplaar aan de grote humanist Ermolao Barbaro te geven. "Iedereen die mijn boek leest" schreef Ficino aan Calderini, "en die een gezond, helder verstand bezit, zal duidelijk zien dat ik het heb geschreven met oprechtheid, een devote geest en met respect voor religie." Pas in Juni 1490 was Ficino er gerust op dat de Paus het boek niet in de ban zou doen en kon hij beginnen met het vertalen en becommentariëren van Plotinus - een publicatie die in mei 1492 het licht zag, een maand te laat voor zijn beschermheer Lorenzo de Medici.

We kunnen ons afvragen: wat was de betekenis van 'Het Boek over het Leven' voor Ficino en voor zijn vrienden? In zijn aanbevelingsbrieven aan Lorenzo de Medici, Filippo Valori en de Koning van Hongarije zegt hij dat hij hoopt dat ze het boek zullen bestuderen en zodoende lang en gezond zullen leven - Lorenzo had een grote neus maar kon niets ruiken en Ficino heeft mogelijk aan hem gedacht als hij in dit boek zoveel aandacht besteed aan geur en geest en hij zal ook vaak aan hem hebben gedacht omdat hij door de jicht vaak ernstig ziek was.
Ficino zelf was 56 in 1489, en zoals hij ons in de tekst laat weten, beschouwd hij zichzelf als een oude man (hoewel hij pas 10 jaar later dood zou gaan, in 1499). Natuurlijk had hij medicijnen gestudeerd en zijn vader bij zijn werk geobserveerd. Zijn moeder was in de tachtig en kreeg veel aandacht van haar druk bezette zoon en adviezen over haar gezondheid. Ongetwijfeld zijn sommige adviezen voor haar dieet op deze pagina's terecht gekomen.
Maar de bron van de meeste stof in het boek moet zijn eigen ervaring met depressie zijn geweest. Zijn hele leven lang was hij een melancholicus, geboren onder het onheilspellende teken van Saturnus en daarvoor had hij een unieke en opmerkelijke therapie ontwikkeld voor zichzelf en voor zijn collega melancholici aan de Academie (die zichzelf allemaal als Saturnaal beschouwden) gebaseerd op een polytheïstische, verbeeldingrijke ordening van psychologische gemoedstoestanden en gevoelens. Melancholie was volgens hem een natuurlijke toestand van de ziel in het lichaam, en in het bijzonder de geleerde of filosoof was daar vatbaar voor. Ficino is op dit punt ook cosmologisch gezien veel gecompliceerder dan het christelijke standpunt zoals vastgelegd door Augustinus ('onze harten zijn rusteloos, o Heer, totdat ze rusten in U').

Voor een neoplatonist is het zo dat de ziel niet in het lichaam wil zijn, melancholie is zijn roep om bevrijding. Ficino is dus de bron van dit in de Renaissance wijd verbreide idee, zoals door Panofsky en Saxl is aangetoond in hun studie getiteld 'Saturn and Melancholy' over de kunst in de Renaissance. Maar hoewel de standaard Middel-eeuwse kijk op melancholie dikwijls leidde tot ontkenning van het lichaam en ascetische kloosterpraktijken als antwoord op het dilemma van de gekwelde ziel, baseerde Ficino's 'therapie' zich op het idee dat de psyche het thuisland is van vele godheden, een hele hemel in onszelf, zoals hij vaak placht te zeggen. Zij die door de droge en depressieve invloed van Saturnus worden geplaagd moeten Jupiter te hulp roepen en een beetje 'Jovialiteit' in hun leven binnenlaten als tegenwicht of 'tempering' van de Saturnale tendens tot sombere extremen en droge filosofische buien.
Ze moeten ook een beetje Phoebus Apollo, de Zonnegod, toelaten door het gezelschap te zoeken van 'Zonnige mensen' (hij adviseert blondines!). Saturnale mensen moeten zich buiten hun donkere, sombere werkruimten begeven en wandelingen maken in stralende tuinen. Ook de eisen die het seksuele leven stelt moeten niet worden ontkent, want Venus moet een plek krijgen willen we niet verworden tot steriele onderdanen van het Koninkrijk van Saturnus, dat wordt bevolkt door benepen oude mannen.

Het is zelfs zo dat Ficino's openhartige taal en onomwonden beschrijvingen van seks een schokkende ervaring kan zijn voor sommige lezers, vooral als ze vergeten dat hij in een tijd schreef toen in Italië veel gemakkelijker met dit onderwerp werd omgegaan dan in de eeuw daarop, toen vrouwen, onder Spaanse invloed, als ze in de rouw waren die vreselijke zwarte kleren gingen dragen, wat sommigen tot op de dag van vandaag nog doen. In het psychische landschap van Ficino hebben, naast Venus, ook Mars, Mercurius en de Maan zo hun eisen.

Zijn doel gaat echter verder dan het verlichten van melancholie door te goochelen met astrologische beelden en symbolen. Hoewel deze goden planeten zijn die door de oude astrologen en meer recent door de Arabieren werden bestudeerd om hun invloed op het menselijk gedrag te achterhalen, is Ficino niet iemand die dit letterlijk neemt. Het is belangrijker om de directe inwerking te erkennen die deze goden hebben op onze verbeelding, zegt hij, dan het mogelijke effect dat ze zouden kunnen hebben op ons levenslot. Het is duidelijk dat Ficino druk bezig is om oude astrologische wijsheden tot een nieuw psychologisch systeem om te bouwen. Zijn grootste interesse is de ziel en hoe ermee te leven. Hij erkent dat we veel kunnen doen om de invloed die deze goden hebben op ons leven te begrijpen en te 'temperen' (één van zijn favoriete woorden), maar waar het tenslotte op aankomt is om met ze te leren leven. Ze komen ook niet zonder geschenken, zelfs Saturnus niet. Op een keer, toen hij ten prooi was aan een bijzonder depressieve bui zei Ficino's vriend Cavalcanti tegen hem, dat hij moet ophouden met mopperen en herinnerde hem er, tot Ficino's genoegen, aan, dat Saturnus, ondanks zijn inherente melancholie, zijn werk had verdiept.

Door zich voor te stellen dat het leven wordt geregeerd door planetaire goden, die elk heersen over bepaalde bloemen, voedsel, dieren, metalen en manieren van doen tilt Ficino de wereld en het leven op aarde uit de dode categorieën waarin zijn door Aristoteles beïnvloedde tijdgenoten denken en bezielt het ten diepste. Plotseling wordt alles opnieuw geboren, alles komt tot leven in een numineuze betekenis die groter is dan de mens. Plotseling wordt de wereld gezien als een tuin vol geschenken die de goden ons hebben toegedacht. Plotseling zien we hier de Renaissance, de wedergeboorte.
Maar, het gaat niet alleen om de wedergeboorte van de ziel, zoals Michelangelo, die ook aan het hof van de Medici's woonde en die Ficino's huis in Careggi vaak bezocht, ons voorhoudt. Hij begreep Ficino's bijna ongeëvenaarde begrip voor het belang van het lichaam en zou niet lang daarna het magnifieke beeld van David creëren. In een brief aan Pico della Mirandola stelde Ficino ooit voor dat ze Prometheus zouden navolgen om samen een mens te scheppen met, ironisch bedoeld, de aantrekkelijke Pico als ziel en Ficino, die een bochel had, als lichaam.

Hoewel hij het oude systeem van de vier humeuren of sappen niet verlaat, stelt hij dat ook deze onder de planetaire en psychologische invloed van de goden staan. Galenus is hier zijn bron, maar de leer van de vier humeuren was al deel van een zogenaamde 'Hippocratische Verzameling' aan teksten, die voor het eerst verschenen in het geschrift 'Over de aard van de Mens', dat door Aristoteles werd toegeschreven aan Polybus, de schoonzoon van Hippocrates. Ziekte werd in de oudheid gewoonlijk gezien als een verstoring van de balans van de humeuren, die van nature tenderen naar evenwicht maar van tijd tot tijd op tilt slaan. Ficino deelde die mening en besteedde extra aandacht aan het humeur zwarte gal of melancholia en hoe te vermijden om dit overmatig zou stromen.

De humeuren of sappen die door het lichaam stromen zijn bloed (sangue; vandaar sanguinisch), flegma (pituita), zwarte gal (melancholia) en gele gal (cholea, vandaar: cholerisch). Niet alleen deze theorie van de humeuren kwam van Galenus, in de 4e eeuw hofarts van Keizer Marcus Aurelius, maar ook zijn theorie over de natuurlijke, de dierlijke en de vitale levensgeesten. Naast lucht verlevendigen deze drie soorten levensgeesten het lichaam. De natuurlijke levensgeest ontspringt in de lever, waar hij de aderen binnengaat als bloed. Een deel hiervan gaat naar de rechter ventrikel, verplaatst zich langzaam als donker bloed naar de linker ventrikel, vermengt zich met de lucht in de longen en wordt zo de hogere vitale levensgeest, het principe van aderlijk bloed. Dit aderlijke bloed verplaatst zich vervolgens door het lichaam heen; een deel ervan gaat naar de basis van de hersenen, waar het wordt omgezet in dierlijke geest die via de zenuwen door het lichaam wordt gedistribueerd. Ficino was niet de eerste om in deze humeuren en levensgeesten een goddelijke invloed te zien. De antieke Griekse geneeskunst, van Hippocrates tot Galenus, zag zowel voor wat betreft ziekte als genezing een relatie met de goden. Een opmerkelijke zinsnede in 'Heilige Ziekte', een geschrift uit de 'Hippocratische verzameling' van teksten illustreert dit. 'Het is niet nodig om deze ziekte in een speciale categorie onder te brengen omdat ze goddelijker dan de andere zou zijn' zegt de tekst luchtig, 'want ze zijn allemaal goddelijk en allemaal menselijk'.

De originaliteit van Ficino ligt in het feit dat hij al deze fysiologie en psychologie op een nauwkeurig en gedetailleerd uitwerkt en vervat in een concept van beeldend polytheïsme. Voor de eerste keer in de geschiedenis worden zowel de astrologische wijsheid uit de oudheid als de dialogen over de ziel van de neoplatonisten, de Griekse, Romeinse, Arabische en Italiaanse medische en dieetkundige verhandelingen, de kruidenleer en alchemistische praktijken in verband gebracht met de heersende psychologische conditie van een verbeeldingrijke, depressieve frater die leefde in de grootsheid van Europa's rijkste familie.

Het is deze psychologie die eer doet aan de eeuw van de humanisme, hoewel deze frase, vooral tegenwoordig, besmeurd schijnt te zijn door onze wereldlijke misvattingen over de mens als maat aller dingen. Voor Ficino zijn de goden de maat en de mens slechts de ontvanger van hun gaven. Dus, terwijl er hier een diepe depressie heerst (van Saturnus) is er ook grote vreugde (van Venus en Jupiter).
In een brief aan een vriend, Matteo d'Arezzo, kijkt Ficino een jaar na het verschijnen van De Vita met genoegen terug en herinnert zich hoe hij het schreef: 'in de zomer, tussen de bloemen', in de velden van Careggi. Aan dit genoegen werd, zoals de lezer zal ontdekken, misschien een behoorlijke hoeveelheid wijn (van Bachus) toegevoegd en heel wat humor (van Jupiter, Venus en Mercurius). Ficino wordt door zijn eerste biograaf Corsi beschreven als melancholiek maar 'en public altijd opgeruimd en met een goed humeur' en in zijn gesprekken altijd 'vol geestigheden, grapjes, gelach'.

Ficino's reputatie in de geschiedenis van de filosofie is veel te lang gebaseerd geweest op zijn uitgebreide vertalingen van Plato en de invloed daarvan op de Renaissance. De meeste studies over Ficino, zoals die van Kristeller, hebben de nadruk gelegd op zijn Platonische kant en zijn Hermetische vrijwel genegeerd. Hij was de eerste die de Hermetische teksten in het Latijn vertaalde en er op voortborduurde in de rest van zijn werk, zodat hij de occulte traditie van zijn tijd aanzienlijk verrijkte (hoewel 'occult' in die tijd wat anders betekende dan nu). Florence was al veel langer een centrum van magie, en astrologie was toen voor een welopgevoed man net zo'n serieus en net zo'n controversieel onderwerp als psychologie dat nu is. Dankzij het briljante werk van Frances Yates en D.P. Walker raakt deze kant van het werk van Ficino nu beter bekend, hoewel men in onverdachte bronnen als de Columbia Encyclopedia nog steeds een belachelijk korte en slecht geïnformeerde schets kan vinden zoals die maar al te lang model heeft gestaan voor de typisch Angelsaksische visie ("Hij vertaalde Plato in het Italiaans (1482) en zijn versie wordt nog steeds beschouwd als de beste in het Italiaans. Zijn belang ligt in dit werk, omdat zijn overige geschriften onbetrouwbaar zijn en niet origineel.")

Het negatieve resultaat hiervan spreekt uit samenvattende typeringen als die van John Addington Symonds, die beweert dat Ficino 'een onintelligent eclecticisme' tentoonspreidde. Deze visie, en de vooroordelen van andere negentiende-eeuwse Britse estheten schijnt op zijn retour te zijn.
In de laatste jaren hebben de boeken van James Hillman nieuw licht geworpen op het geinternaliseerde polytheïsme dat achter Ficino's (en Hillman's eigen) psychologie van de ziel ligt. Hillman toont aan dat Ficino's werk psychologie is van grote subtiliteit en diepte. Terwijl Ficino altijd beweerde dat er een complete hemel aan sterren en planetaire goden in ons aanwezig is, was er een twintigste-eeuwse archetypische psycholoog voor nodig om de betekenis daarvan opnieuw op te graven. De uitleg die Hillman geeft aan Ficino's werk betekent frisse lucht voor een onderwerp dat door alles letterlijk opvatten, verkeerde veronderstellingen en Germaanse systematiek alle kraak en smaak verloren had.

Het werk van Hillman redt Ficino op zijn minst van de Angelsaksen en Germanen en brengt hem terug naar Italië - in een van zijn artikelen herinnert hij Italiaanse psychologen eraan dat Ficino één van hun voorgangers is. Het boek 'The Planets Within' van Tom Moore dat binnenkort uitkomt is een verdere analyse van de astrale psychologie van Ficino. Het richt zich vooral op het derde deel van De Vita en behelst de eerste grootschalige exploratie van dit werk; als het goed is zou dit veel kunnen doen om deze kant van Ficino's reputatie toegankelijk te maken voor een breder publiek dan de gespecialiseerde academische wereld.
Door psychologische benaderingen als deze kunnen we een glimp krijgen van De Vita als het soort advies dat de Medici's kregen als ze zich tot hun residentiele archetypische (het woord is van Ficino) therapeut wendden voor hulp. Je zou je dus kunnen afvragen: hoe goed was dit advies?
Als je sommige substanties in ogenschouw neemt die Ficino aanbeveelt om in te nemen was dat ronduit vreselijk. Cosimo, Piero, Giuliano, Laurenzo de Medici - allen waren grote delen van hun leven aan bed gekluisterd met jicht, wat niet verwonderlijk is als ze inderdaad sommige van deze dingen hebben gegeten. Nog erger is, dat een auteur van een boek getiteld 'hoe een lang leven te leven' zich aangesproken moet hebben gevoeld toen hij werd geconfronteerd met de dood, op jonge leeftijd, van zoveel van zijn vrienden - niet alleen Lorenzo stierf jong, Pico haalde net de 31 en Poliziano werd 40.
Misschien moet de Rijksdienst voor de Keuring van Waren een waarschuwingssticker aan het boek laten hechten opdat de lezers de recepten van Ficino niet gaan uitproberen. Hier is zo'n waarschuwing, van William Turner, de zestiende-eeuwse Engelse kruidendokter die een boek schreef over theriaca (de stroop die Ficino altijd klaar had staan als middel tegen alles, gebaseerd op een recept van Galenus) en die nog steeds van toepassing is:

"Ondanks het feit dat zowel Galenus als Aetius voldoende waarschuwing hebben gegeven aan alle mannen en vrouwen, op welke leeftijd, bij welke constitutie en bij welke ziekten deze medicijnen schade doen of goed zijn voor de ontvangers ervan, desalniettemin opmerkende de enorme domheid en grofheid van veel Engelsen die niet kunnen begrijpen wat duidelijk wordt gezegd en de ezelachtige stijfhoofdigheid van sommige anderen die zich van zulke waarschuwingen niets aantrekken maar brutaalweg moordenaars worden van zichzelf door God's creaturen te misbruiken, ze niet toedienen op advies van de dienaren en ambtsdragers van de Almachtige God, de geleerde artsen, maar ze buiten de gestelde tijden en in buitensporige mate innemen, zonder enige consideratie, alleen hun eigen oordeel volgend of anders het advies van een of ander seniel oude wijf of de een of andere kakelende marskramer of halfzachte uit zijn nek kletsende kwakzalver, kan ik mezelf geheel niet verantwoordelijk voelen, behalve dat ik een waarschuwing wil geven aan alle mannen en vrouwen die deze medicijnen zullen gebruiken dat ze deze niet overhaast en zonder voorzorg innemen, zonder het advies en goede raad van een geleerde arts die ze kan vertellen of ze geschikt zijn voor hun geaardheid en constitutie en ziekten of niet."

Maar, Ficino zou de eerste zijn geweest om toe te geven dat het imaginaire proces verbonden aan zulke medicijnen het geheim was van gezondheid, en in dat opzicht was zijn advies bijzonder goed. In dat opzicht is het ook zo, dat zijn reputatie ondergewaardeerd en veronachtzaamd  is geweest, misschien omdat het zo lang in de handen gelegen heeft van de faculteiten voor filosofie en kunstgeschiedenis. Voor diegenen van ons die nu zijn verbeeldingrijke kant lezen (Hermetisch, astrologisch, occult, magisch, demonisch, astraal, alchemistisch - woorden die de moderne verbeelding bijna oproepen) is hij de grootste polytheïst van de menselijke psyche. Als hij gelezen wordt vanuit het perspectief van de ziel is Ficino niet alleen de man die de filosofische koers uitzette voor een groot deel van de Italiaanse Renaissance, maar ook een groot psycholoog. Hij zou wel eens de eerste psycholoog van de moderne wereld kunnen zijn.


Charles Boer


De roep om méér astrologie en minder psychologie of om een meer wetenschappelijke astrologie laait regelmatig weer op.

In wezen gaat het om twee opvattingen - of liever gezegd: wereldbeelden - die vrijwel niet met elkaar te rijmen zijn. Discussie hierover wordt bemoeilijkt omdat 'de' astrologie en 'de' psychologie niet bestaan.
Zowel huis-tuin-en-keuken psychologie als de psychologie die aan de universiteit wordt onderwezen gaat meer over logos dan over psyche, het is zielkunde zonder ziel. Jung en vernieuwers als James Hillman of Arnold Mindell (van Process Work) zul je aan de universiteit niet aantreffen.
'Psyche' heeft meer met poëzie dan met letterlijke en begrijpbare betekenissen te maken - en dat maakt sommige mensen razend.

Psychologie is kennis dragen van de ziel, haar kenmerkende eigenschap èn haar geschenk is inlevingsvermogen, fantasie, intuïtie. In plaats van te onderzoeken hoe we een beter gebruik kunnen maken van dit geschenk, is de wetenschappelijke wereld - lees: de huidige opvatting over de werkelijkheid - nog steeds bezig alles wat riekt naar 'ziel' uit te bannen.

Maar goed, in 'de Hemel heeft voeten in de aarde' heb ik de religieuze ondertoon van dit conflict denk ik voldoende aangetoond. Ogenschijnlijk loopt de scheidslijn netjes tussen New Age alternatief en nuchter regulier door - maar als je verder kijkt zie je hem overal. In de kunst, muziek, theaterwereld, tussen allerlei soorten rekkelijken en preciezen en ook in de New Age wereld zelf: de controverse tussen Aristoteles en Plato is nog lang niet uitgewoed. (en Ficino is een Platonist ... )
Bodegraven, 10-2-1999 - 12-2-99
Misschien lachen de mensen wel om een priester die zich met astrologie bezig houdt. Maar, ik beroep me op de autoriteit van de Perzen, de Egyptenaren en de Caldeeen. Hemelse zaken waren altijd al voor de priester de enige zorg.
Marsilio Ficino

LIBER DE VITA

inleiding en commentaar
Liber de Vita  -  ('Het boek over het Leven') gepubliceerd op 3 december 1489
Engelse vertaling: 'Book of Life'  Translated and introduced by Charles Boer
ISBN 0-88214-212-7 Spring Publications, Woodstock, Connecticut; 5e druk 1996
vertaling van de inleiding bij dit boek © Jan de Graaf 1999

Reader rond het thema archetypische astrologie
© vertaling 1999 Jan de Graaf
bestemd voor gebruik in de opleiding.
Web site ©  2006 Inspiratie / Jan de Graaf. Alle rechten voorbehouden
Niets van dit document mag worden verveelvoudigd, overgenomen of overgeseind zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Jan de Graaf

Web site © 2006  Inspiratie / Jan de Graaf. All rights reserved.
No part of this document may be reproduced, copied or transmitted in any form without the prior written permission from Jan de Graaf.





VERDER  BLADEREN:

Jan de Graaf
[ boeken ]
[ consult praktijk ]
[ astrologie plein ]
[ kosmologie ]
[ maankalender ]
[ home ]

essence college:
[ link naar de website van essence ]
VERDER  BLADEREN:

Jan de Graaf
[ boeken ]
[ consult praktijk ]
[ astrologie plein ]
[ kosmologie ]
[ maankalender ]
[ home ]

essence college:
[ link naar de website van essence ]
VERDER  BLADEREN:

Jan de Graaf
[ boeken ]
[ consult praktijk ]
[ astrologie plein ]
[ kosmologie ]
[ maankalender ]
[ home ]

essence college:
[ link naar de website van essence ]
vlieg door naar het gevorderden plein voor meer horoscopen
flits terug naar gevorderden voor meer keuzes
transit pluto
transit jupiter
transit saturnus
transit neptunus
transit URANUS
klik hier terug naar de gevorderden startpagina