Ongeduld, bewolkt weer, te koud, geen goede plek, geen tijd of nu geen zin - al meer dan twintig jaar wacht ik op het juiste moment voor revanche op een verstoorde Maanwake.
De alchemistische beleving van blauw en zilver wil ik opnieuw net zo intens ervaren als toen, maar dan zonder lawaai.
Mijn verhaal met de Maan is altijd al problematisch geweest. Ze staat bij mij in acht; traditioneel het huis van Mars en heftige emoties. Bij mijn geboorte op een winterse dag was haar sikkel nauwelijks zichtbaar boven de bomen van het Zuiderpark in Den Haag. Ik denk, dat niemand toen op haar heeft gelet. Ik zeker niet, druk als ik was in het geboortekanaal. Pas laat in mijn leven kreeg ik begrip voor haar uitzonderlijke positie in mijn horoscoop en in mijn leven. Toch ontsnapt ze me nog voortdurend, net als toen, in '77 of daaromtrent.
Die zomer verliet ik om een uur of tien mijn huis, slaapzak in de auto, op weg naar de Drunense duinen om daar te parkeren, een stuk het zand in te lopen en op een duintop naar de volle Maan te gaan kijken.
De hele nacht, was de bedoeling. In de schemer vond ik een mooi plekje; schurkte mijn rug tegen een kromme den op de top en sloeg de slaapzak om mij heen.
Het was fris maar niet koud, er waren wat wolken maar de Maan brak steeds vaker door. Een perfecte nacht voor een Maanwake. Over het zand en de donkere bossen lag een waas, wolken waren zilver gerand, af en toe een lichte wind in mijn haar en tussen de takken. Wat een rust. Wat een stilte, wat een vrede.
Eindelijk ging mijn diepste wens in vervulling: een hele nacht één zijn met de Maan en de natuur. Eindelijk had ik de daad bij het woord; eindelijk kon ik mijn wonden helen in zilver en blauw; de alchimie ervan beleven.
Plotseling klonken stemmen in de verte - geroezemoes - padvindertjes? Een schoolklas! Al gauw verschenen onrustige flitsen van zaklantaarns aan de bosrand, geschreeuw en gekrakeel, een vermanende stem van een leraar.
Wat kwamen die daar doen? De bedoeling was kennelijk een nachtwandeling. De stilte van de natuur ervaren? Die leraar kreeg ze niet rustig. Gejoel, gelach, geproest - wat een lawaai. Ik overwoog weg te gaan - snapte ook dat het geen zin zou hebben - dit gekrijs draagt mijlenver.
Ik concentreerde me op de Maan, dronk haar zilveren licht in, maar van gemoedsrust was geen sprake meer. Ik was woedend. Moordgedachten doorkruisten mijn hersens. Bespiegelingen over angst voor de stilte, zelfs midden in een gesprek. Medelijden met die leraar. Bittere herinneringen aan wat een droom van een zonsopgang had moeten worden: op 4000 meter aan de rand van de vulkaankrater Haleakala, (Hawaïaans voor 'Huis van de Zon'), maar jammerlijk versjteert door een troep dwangmatig kakelende toeristen met meegebrachte radio's. Stilte confronteert je met jezelf en roept daarom onzekerheid en angst op. Het muziekgordijn in openbare ruimtes hangt daar niet voor niets.
Na een knarsetandend half uur was de groep vertrokken, werd het ook in mij wat rustiger. Het geel van de klimmende Maan was zilverwit geworden, koel en sereen stond ze in de blauwe nacht. Ik kroop in de slaapzak, vond mijn meditatiezit, elke beweging maakte teveel geluid. Zoals gewoonlijk moest ik moeite doen om niet verstrikt te raken in mijn gedachten, steeds weer alleen het blauw en zilver er te laten zijn.
Blauw is een kleur voor gevorderden, zoals iedereen weet die met dergelijke dingen bezig is. Blauw wijkt en dijt uit. Je energie op blauw zetten betekent dat het moeilijker wordt om in je lijf te blijven en je verbinding met de aarde vast te houden. Alleen god kan het goed: hij laat rustig de blauwe hemel op de blauwe zee rusten in een wijkende verte. Voor je het weet zit je niet meer hier maar op de horizon. Blauw volgt traditioneel op zwart (de nigredo, het lood; de gevaarlijke linkerhand van het duister en de prima materia van Saturnus). Blauw bevrijdt uit een pikzwarte depressie; verdriet, de blues, soul krijgt ruimte en kan weer stromen.
Blauw is de voorbode van wit, want optisch wit bevat blauw. Het nieuwe licht kondigt zich aan als de hemel van zwart donkerblauw wordt. De witte fase (het albedo, de witwassing in onschuld en perfectie) moet tenslotte leiden tot rood: de rubedo van het ware leven. Maar rood is ook Mars, bloed, roestig ijzer en ongetemde heftigheid.
Al deze fases liepen die nacht behoorlijk door elkaar. Het zilverwit van de Maan is verkoelend, helend. Zilver is het metaal van de ziel. Blauw verzacht het zwart tot gewoon verdriet en melancholie; als ik meestroom op het zilver van de Maan is alles goed zoals het is. Een prachtige ervaring. ik voel mijn hart kloppen en mijn bloed stromen. Even mijn Maan in acht vergeten. Maar niet voor lang.
Een mitrailleursalvo. Nog één. Stilte. Geratel van automatische wapens. Even later geroep en geschreeuw, vuurtongen slaan uit de bosrand, aanzwellend geraas van oorlogsgeluiden, een crescendo - daarna even stilte. Stemmen, gekraak in het struikgewas. Aan de voet van mijn heuvel, van links naar rechts, trekt oorlogsgeweld aan mij voorbij.
Ik probeerde mijn woede te verbijten, had me graag in de strijd gemengd om dat tuig met helm en al de hersens in te slaan. Iemand blaast schril op een fluit; weer salvo's, gelukkig iets verderop. Zo had ik me de rubedo niet voorgesteld.
Ongelovig en misschien wel verwijtend kijk ik naar boven. Ik weet zeker dat ze knipoogt. Pas later snap ik dat ze zeggen wil: alle emoties horen erbij; niet alleen van die mooie. Of was ik te inhalig - had ik al genoeg blauw en zilver gehad?
Pas om een uur of twee werd het weer stil, kreeg ik kans om ook de stilte in mezelf weer op te zoeken - en dat duurde lang. Toen ik haar gevonden had, moest ik vechten tegen de slaap, wat later ook tegen de verveling. De wind was weer opgestoken, steeds meer wolken dreven aan de Maan voorbij. Pas laat in de nacht werd het helderder, maar toen gloorde in het oosten de nieuwe dag alweer.
Er staan me nog prachtige zonsopgangen te wachten en aan avondrood zal heus geen gebrek zijn. Maar waar vind ik, voor één van de vier of vijf zomerse Vollemaannachten per jaar, een plek en tijd om een hele nacht ongestoord blauw en zilver te zijn?
© Jan de Graaf