COLUMN
uit het Algemeen Dagblad op 03-06-2004
door Ayaan Hirsi Ali
Donderdag had ik een lunchafspraak in het Haagse Dudok.
Het grootste deel van het restaurant bleek gereserveerd voor studenten van de hogeschool in Tilburg
Het waren vriendelijke jonge mensen die druk pratend aan tafel gingen en na korte tijd weer vertrokken.
Onderweg naar buiten stopte een jongen met donkerblond haar, vriendelijke ogen en wat pukkels op zijn gezicht bij onze tafel.
Hij tikte me op de schouder en zei: ,,Mevrouw, ik hoop echt van harte dat de Moedjahedien u pakken en doodmaken. Inshallah, dat zullen ze ook doen.'' (Moedjahedien zijn gewapende strijders voor de islam).
Na de mededeling maakte hij aanstalten om door te lopen.
Ik greep hem bij zijn pols en trok hem terug naar mijn tafel. Ik vroeg hem of ik hem goed had verstaan. ,,Ja'', zei hij en herhaalde zijn wens. Hij voegde daaraan toe dat Allah deze hartenkreet zou inwilligen.
Terwijl de jongen sprak, bleef hij mij strak aankijken, het vriendelijke lachje op zijn gezicht.
Hij had een zachte g.
Mijn gast staarde hem ademloos aan. Ik pakte mijn mes van mijn bord en bood het hem aan.
,,Als je mij dood wilt hebben dan moet je het zelf doen'', zei ik. ,,Waarom zou je het uitbesteden. Jij wilt mij toch dood hebben, doe het dan maar zelf.''
Hij nam het mes niet aan. ,,Mevrouw, ik zou het willen, maar ik durf het niet. Ik ben bang dat ik in de gevangenis kom.''
,,O'', antwoordde ik. ,,Jij hebt moordneigingen en je laat iemand anders het vuile werk opknappen.
Een Moedjahedien die jouw wens uitvoert en mij vermoordt, gaat ook naar de gevangenis.''